jan 21 2009
De comeback van
Dr. mr. W. Wedzinga
Dr. mr. W. Wedzinga
Voormalig raadsheer bij het Gerechtshof te Leeuwarden en oud universitair hoofddocent bij de UvA. Hij is in 1992 gepromoveerd op een proefschrift over “openlijke geweldpleging” en heeft een reeks publikaties op zijn naam staan. Ook heeft hij vele lezingen en cursussen gegeven o.a. aan rechters, officieren van justitie en advocaten. Landelijk geldt hij als een autoriteit op het gebied van het strafrecht. Gespecialieerd in straf(proces)recht, cassatierecht, herziening, gratie en bestuursrecht.
“De laatste maanden is er veel gebeurd. Zoveel, dat ik niet ben toegekomen aan het bijhouden van het weblog. Tussen de bedrijven door, dacht ik na over de toekomst. De gebeurtenissen waarin ik verzeild raakte gaven daar ook alle aanleiding toe. Die gebeurtenissen speelden zich af zowel op het persoonlijke vlak als op het juridisch-maatschappelijke vlak. De combinatie van die twee hebben geleid tot een voortschrijdend inzicht en de wil om een andere weg in te slaan.
Na allerlei omzwervingen lijk ik mijn “thuishaven” te hebben gevonden. Vanuit die haven wil ik mijn weg voortzetten. Maar de koers die ik daarbij wil volgen is veranderd. De rust die ik nu heb, heeft geleid tot bezinning en heroriëntatie. Daardoor heb ik de betrekkelijke “luxe” gehad om de ervaringen die ik de laatste jaren heb opgedaan de revue te laten passeren en op mij in te laten werken. Van die ervaringen, die ik deels op mij zelf heb afgeroepen en die vaak bitter waren en zijn, wilde ik iets leren. Zij hebben mij gelouterd en, naar mijn vaste overtuiging, tot een beter jurist gemaakt. Elke strafrechtjurist en zeker diegenen die bij de strafrechtshandhaving zijn betrokken, zouden de keerzijde van de medaille moeten kennen.
Van die ervaringen heb ik in mijn weblog deels verslag gedaan. Er is veel meer over te vertellen, maar dat doe ik nu niet. Ik heb ook niet de neiging op deze plaats af te rekenen met mensen die al of niet bewust onjuiste verhalen over mij hebben verteld c.q. gepubliceerd. Tot dat niveau verlaag ik mij niet. Belangrijker is dat ik weer een doel voor ogen heb en dat doel met behulp van mijn kennis en ervaring wil bereiken. Dat doel is die mensen te helpen die goede strafrechtelijke bijstand nodig hebben en in alle bescheidenheid een bijdrage te leveren aan een strafrecht waarin een zekere balans bestaat tussen rechtsbescherming en rechtshandhaving. Want die balans (als eer al een balans bestaat) is nu grondig verstoord, omdat het accent op strafrechtshandhaving ligt.
Meer dan ooit besef ik hoe ingrijpend het strafrecht is, hoe het levens kan verwoesten. Rechtsbijstand is niet alleen daarom nodig, maar ook omdat in onze “zelfverklaarde” rechtsstaat de rechtsbescherming van verdachten tot een even beschamend als bedroevend niveau is gedaald, terwijl de instanties die een kernrol spelen bij de strafrechtshandhaving in ieder geval niet de intentie lijken te hebben om daarin verbetering te brengen. De wetgever laat zich leiden door de waan van de dag en het Openbaar Ministerie (OM) probeert de brand te blussen door de media te bespelen en door het instellen van commissies, als doekje voor het bloeden. Wezenlijk verandert er niets. Nog niets.
Ondertussen dringt het besef door dat onze strafrechtspleging in een ongekend diepe, existentiële crisis verkeert. In algemene zin wordt die crisis veroorzaakt doordat de samenleving in een enorm tempo verandert, terwijl de fundamenten van het strafrecht nog steeds dezelfde zijn en de instanties die een kernrol spelen bij de handhaving van het strafrecht aan de status quo vasthouden. Daardoor konden en kunnen rechterlijke dwalingen niet uitblijven (zie verderop) en is het vertrouwen in die instanties tot een tragisch dieptepunt gedaald.
Het is dan ook de hoogste tijd die fundamenten te herijken en het scenario van de rolverdeling van die instanties te herschrijven. Maar eerst en vooral is het zaak de cultuur binnen die organisaties te veranderen. Aan kritiek, zeker aan publieke kritiek, is men niet gewend, het zelfreinigend vermogen is vaak te gering en de blik is vooral naar binnen gericht. Daardoor lijkt gefundeerde kritiek niet serieus te worden genomen en vindt er geen heroriëntatie plaats op de grondbeginselen van het strafrecht en de positionering van de instanties die een kernrol spelen van de handhaving er van. Wanneer dat niet verandert, zal de strafrechtspleging imploderen. Eigenrichting kan en zal niet uitblijven en de schade die daarvan het gevolg is, is niet te overzien.
Vooral het OM speelt hierbij een bedenkelijke rol, al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat die rol haar deels door de politiek is opgedrongen. Want de politiek leeft, als gezegd, bij de waan van de dag en mede daardoor is de strafwetgeving en strafrechtspleging ontwricht. Vanuit de gedachte dat de georganiseerde misdaad (wat dat dan ook moge zijn) en het terrorisme (wat dat dan ook is) een halt moet worden toegeroepen en het idee dat het strafrecht daartoe het meest geëigende middel is, zijn wetstechnische gedrochten geschapen, in de vorm van vage, verstrekkende strafbepalingen en rekkelijke en ingrijpende opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen. Daarmee heeft de wetgever het fundament gelegd voor machtsmisbruik. Het wetstechnische niveau van onze strafwetgeving is vaak belabberd en mede daardoor is er geen sprake meer van een zekere mate van evenwicht tussen rechtshandhaving en rechtsbescherming.
Dat het OM bijkans het monopolie heeft op machtsmisbruik is in ons wetssysteem ingebakken. Het OM is van oudsher de spin in het web van de strafrechtspleging. Zowel bij de opsporing als bij de vervolging en bij de executie is het OM “dominus litis”, meester van het strafproces (in de ruime zin van het woord). Dat het OM bevoegdheden heeft is wenselijk en noodzakelijk, dat die bevoegdheden met het veranderen van de aard en omvang van de criminaliteit zijn toegenomen is begrijpelijk, dat het OM als gevolg daarvan meer macht heeft gekregen is logisch, maar wanneer die macht monopolistische trekken krijgt, wordt het gevaarlijk. Macht kan worden misbruikt en kan leiden tot corruptie. En macht moet altijd en onder alle omstandigheden bekritiseerd kunnen worden en ontvankelijk zijn voor kritiek.
Waar het OM mede door sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen steeds beleidsmatiger en instrumenteler is gaan denken en opereren, is het gevaar voor machtsmisbruik geen “graue Theorie”, maar bittere werkelijkheid. Dat misbruik zou moeten worden “afgestraft” door andere kernrolspelers in het strafrecht, de advocatuur en de rechter. Maar de advocatuur is te afhankelijk van het OM en ontbreekt het te vaak aan specifieke vakkennis. En de strafrechter vaart naar mijn indruk te veel op het kompas van het OM, is te “lijdelijk”, te passief, te weinig kritisch en te slaafs en gaat ook meer en meer gebukt onder beleidsmatige streefnormen. De productiecijfers moeten worden gehaald, het verrichten van nader onderzoek en het horen van getuigen op de zitting kost tijd. Het gevaar voor rechterlijke dwalingen is dan ook in de loop der tijd steeds groter geworden.
Bij dit alles komt dat de burger steeds mondiger is geworden en de informatievergaring en -verspreiding steeds gemakkelijker, omdat internet een prominente rol speelt. Gezag is niet meer vanzelfsprekend verbonden aan het ambt, maar moet worden verdiend. Deskundigen spelen een steeds belangrijkere rol in het strafproces en meer in het bijzonder in het bewijsrecht. Ook strafzaken worden steeds ingewikkelder. Door deze combinatie van factoren worden eerder fouten gemaakt, komen deze fouten eerder aan het licht en wordt de roep om deze fouten te repareren luider en luider. Wanneer degenen die bij de strafrechtspleging zijn betrokken zich voor deze geluiden doof houden, keert de wal het schip. De maatschappelijke neiging tot eigenrichting zal toenemen en het is dan wachten op een “revolutie”.
Zover mag het niet komen. Rechterlijke dwalingen moeten niet alleen worden gerepareerd, maar bovenal worden voorkomen. Want er is niets ergers dan het vernietigen van eeen mensenleven door een onschuldig iemand te veroordelen. Vanuit dat perspectief wil ik een bijdrage leveren aan de rechtsbescherming. Mijn website zal daarom op korte termijn worden gerestyled en op mijn weblog zal ik voortaan aandacht schenken aan wetgeving, actuele en spraakmakende strafzaken en andere jurisch-maatschappelijke ontwikkelingen. Vanwege mijn wetenschappelijke en rechterlijke achtergrond denk ik dat mijn weblog toegevoegde waarde heeft. Want de informatie die ons nu al of niet via de mainstreammedia bereikt, is vaak onjuist en ondermaats.
Wanneer de crisis en de daaraan ten grondslag liggende factoren als een uitdaging wordt gedefinieerd, onstaan kansen. Het OM moet objectief en onpartijdig zijn en als dat niet kan worden gerealiseerd, zal het OM die pretentie ook niet mogen uitdragen en uit de Rechterlijke Macht moeten worden “gezet”. Bevoegdheden moeten evenwichtiger worden verdeeld.
De positie van de verdachte in het strafproces en zeker in de eerste fase van het opsporingsonderzoek moet drastisch worden verbeterd. Middeleeuwse toestanden tijdens de periode van het voorarrest moeten worden afgeschaft. Wat er nu gebeurd tijdens het verhoor en de inverzekeringstelling heeft veel weg van marteling. Een burger is niet per definitie een boef en aan het vereiste dat er een “redelijke verdenking” moet zijn, dient inhoud te worden gegeven. De advocatuur moet over eigen faciliteiten als een NFI en een PBC beschikken.
Het monopolie van juristen moet worden afgeschaft. Ons bewijsstelsel is een schande, want inhoudelijk uitgehold. Waar het wezenlijk op neerkomt is dat een rechter die de “overtuiging” heeft dat de verdachte ook de dader is, altijd wel bewijsmiddelen vindt om die overtuiging te staven. Die overtuiging wordt vaak al gevormd door het lezen van het strafdossier, dat door het OM is samengesteld en nogal eens eenzijdig is. Strafzittingen hebben veel weg van een verificatievergadering van aandeelhouders. Stukken worden voorgelezen en het horen van getuigen is nog steeds eerder uitzondering dan regel. Officieren van Justitie en rechters die fouten maken, moeten worden gecorrigeerd en niet weggepromoveerd. Samenvattend: de papieren muur en het formalisme moet worden doorbroken. Het gaat om materiële waarheidsvinding. Het gaat om de knikkers en niet om het spel!
Ik wil mij inzetten voor diegenen die de dupe zijn van ons strafrechtsysteem, maar dat doen vanuit een bijzondere invalshoek. Dat er alle aanleiding is om op te komen voor gedupeerden van ons strafrechtsysteem komt omdat dit systeem en meer in het bijzonder de instanties (wetgever, politie, justitie, (OM) advocatuur en zittende magistraatuur) die daarin een rol spelen, geen goede basis vormt voor een eerlijk proces. Van “equality of arms” is al lang geen sprake meer, niet op wetgevend gebied en niet op het gebied van strafrechtshandhaving. Daaronder lijdt ook de kwaliteit van de rechtspraak.
Strafrecht is ingrijpend en strafrechtelijke handhaving kan niet zonder gebruik van machtsmiddelen. Maar – om Blaise Pascal te parafraseren – recht zonder macht is krachteloos, macht zonder recht is tyranniek. Het gaat er wezenlijk om een balans tussen die twee te vinden.
Daaraan wil ik een bijdrage leveren. Voor iedereen die deze doelstelling onderschrijft en die denkt dat ik toegevoegde waarde kan hebben. Die bijdrage kan bijvoorbeeld bestaan uit algemene adviezen second opinions, opstellen van concepten (pleitnota’s, cassatieschrifturen, herzieningsverzoeken), analyseren van wetgeving en rechterlijke uitspraken en ontwikkelen van verdedigingsstrategieën.”
Bron: Dr. mr. W. Wedzinga



