De staat van de rechtsstaat

Bij wat ik tot nu toe meemaak met betrekking tot mijn strafzaak inzake smaad verbaas ik me hogelijk hoe onzorgvuldig juristen (OM en rechters) blijkbaar optreden. Dat ze last hebben met de regels van de logica had ik al veel eerder vastgesteld en op deze site uitgebreid uiteengezet, maar dat ze ook moeite hebben met de wet merk ik nu in de praktijk.
Ik ben nu na 10 maanden in het bezit van de aanvulling van het verkorte vonnis en de andere stukken rondom mijn proces en wat ik heb ontvangen en nu verder gelezen verbaast me in hoge mate.
Maar omdat dit voor mij de eerste keer is en ik niet weet wat er normaal gebeurd heb ik wat ik heb ontvangen voorgelegd aan een ex-rechter, die mij dit schreef.
“Maurice de Hond mag zich gelukkig prijzen. Iets meer dan tien maanden na zijn veroordeling heeft hij het uitgebreide vonnis en het proces-verbaal van de terechtzitting ontvangen. Veel verdachten (want er is nog geen definitieve veroordeling en dan ben je nog geen veroordeelde, maar “slechts” verdachte) moeten langer wachten. Een periode van een jaar is geen uitzondering en in een niet onaanzienlijk aantal zaken kan het oplopen tot twee jaar of meer. Mijn goede vriend Henk wacht nu al 19 maanden op de uitwerking van het verkorte vonnis en moet al die tijd in spanning leven. En niet alleen hij, maar ook zijn vrouw en iedereen die met hem meeleeft.
Gelukkig prijzen mag Maurice zich ook omdat het uitgewerkte vonnis echt uitgebreid is. Maar liefst 123 pagina’s met bijlagen werden op zijn deurmat gedeponeerd. Deze rechtbank heeft er, zo lijkt het, echt werk van gemaakt en een uitgebreide bewijsconstructie op tafel gelegd. Kennelijk is de periode van zo’n tien maanden goed besteed. Omdat ook het proces-verbaal van de zitting inmiddels in zijn bezit is, heeft Maurice niets te klagen. Of toch wel?
Frappant is dat de uitwerking van het verkorte vonnis (ook wel: “aanvulling” genoemd) al op 20 februari 2008 door de voorzitter van de rechtbank is ondertekend. Dat Maurice zo lang heeft moeten wachten komt omdat die uitwerking eerst naar het Hof (de beroepsinstantie) is gestuurd en pas daarna naar de verdachte. Eigenlijk te gek voor woorden, want een verdachte zou toch de eerst aangewezene moeten zijn om over het complete vonnis te beschikken. Daarbij komt dat een verdachte de hele tijd in het ongewisse verkeert over de bewijsconstructie.
In de zaak van Maurice kostte de uitwerking van het vonnis dus weinig tijd, er van uitgaande dat de datum correct is. Dat is geen wonder, want de uitwerking van het vonnis behelst weinig meer dan het procesdossier. Een pak papier, waaruit de rechtbank kennelijk de overtuiging heeft geput dat Maurice zich schuldig heeft gemaakt aan smaad. Welke onderdelen van dat dossier door de rechtbank relevant werden geacht, is niet te achterhalen. De rechtbank heeft zich er met een Jantje van Leiden vanaf gemaakt en met de bewijsmotivering een loopje genomen.
Het meest ergerlijke is dat de rechtbank fundamentele rechten van de verdachte heeft geschonden. Want een verdachte heeft er recht op dat zijn vonnis binnen de wettelijke termijn aan hem ter beschikking wordt gesteld. In de wet staat, zoals Maurice in zijn posting op 5 oktober schrijft, een termijn van vier maanden waarbinnen het verkorte vonnis moet worden uitgewerkt. Dat is op zichzelf al een bedenkelijk fenomeen, omdat een verdachte in de regel binnen 14 dagen na de uitspraak hoger beroep moet aantekenen. Lange tijd is het ook zo geweest dat het complete vonnis binnen die termijn gereed was.
Maar in de praktijk werd die deadline meer en meer niet gehaald en dus werd de wet aangepast. De rechtbank mag er nu dus vier maanden over doen. Het gevolg is dat een verdachte die binnen 14 dagen in hoger beroep moet gaan doorgaans niet weet waarop de bewezenverklaring door de rechtbank steunt. Zo gezien is het instellen van het hoger beroep dus min of meer een “blind guess”, wanneer de verdachte het vizier wil richten op de bewijsbeslissing.
Dat is allemaal al erg genoeg, zeker omdat de verdachte al die tijd leeft onder de druk van een strafvervolging. Maar het wordt nog erger wanneer de rechtbank, zoals in de zaak van Maurice, de bewijsbeslissing niet deugdelijk motiveert. Want het opsturen van pakweg een pond papier kun je toch moeilijk een op de bewezenverklaring toegesneden motivering noemen. Het is immers de bedoeling dat de rechtbank het dossier filtert en er die onderdelen uithaalt die de beschuldiging (ten laste legging) staven. Dat is juridisch precisiewerk en kost veel tijd. Te veel, kennelijk. Want per saldo volstaat de rechtbank met een bewijsmotivering die die naam niet mag hebben.
Ronduit beschamend is het dat de rechtbank in haar “aanvulling verkort vonnis” gewag maakt van de verklaring die Maurice op de zitting zou hebben afgelegd. Ik zeg met nadruk “zou”, want terwijl Maurice op de zitting uitsluitend zijn “overtuiging” omtrent het daderschap onder woorden heeft gebracht en dus een zekere reserve inbouwde, wordt die verklaring in het uitgewerkte vonnis omgetoverd tot een vaststaand gegeven, omdat uit het proces-verbaal van de terechtzitting zou blijken dat Maurice elk voorbehoud op de zitting heeft laten varen. Maar in dat proces-verbaal van de terechtzitting staat iets anders en dus is dat proces-verbaal van de zitting door de rechtbank in de bewijsconstructie vervormd en wel op een zodanige wijze dat de verklaring die Maurice zou hebben afgelegd bruikbaar is voor het bewijs. Kunt u het nog volgen?
Het komt er al met al op neer dat de rechtbank voor de bewezenverklaring gebruik maakt van een verklaring die Maurice niet heeft afgelegd en die ook niet in het proces-verbaal van de zitting, waarnaar wel wordt verwezen, is terug te vinden. Blind varen op het proces-verbaal van de terechtzitting is gevaarlijk en ook de door de rechters gefabriceerde bewijsconstructie dient tot op de komma nauwkeurig tegen het licht te worden gehouden.
Het is op zijn zachtst gezegd broddelwerk wat de rechtbank heeft afgeleverd. Eens te meer toont dit aan hoe belangrijk het is om de terechtzitting op video op te nemen, opdat later geverifieerd kan worden wat er is gezegd en hoe gevaarlijk het is om het verslag van de griffier voor zoete koek te slikken. En het zegt ook veel over de kwaliteit van (sommige) rechters. Het enige bewijsmiddel dat werkelijk in de “aanvulling” wordt gebruikt bevat immers een verkeerd weergegeven verklaring van Maurice! Dat laatste doet sterk denken aan de gang van zaken bij verhoren door de politie. Het komt nogal eens voor dat verklaringen die door de politie in processen-verbaal worden opgetekend verschillen van de verklaringen die in werkelijkheid zijn afgelegd. Wanneer komt aan deze misstand eindelijk een eind? Wanneer is het de advocaat toegestaan om bij het politieverhoor aanwezig te zijn?
Ondertussen kan de rechtbank zich deze betrekkelijke “bewijsluxe” permitteren, omdat dit juridische knoeiwerk niet wordt afgestraft. Niet door het Hof en niet door de Hoge Raad. Sterker nog, ook bij gerechtshoven komt het regelmatig voor dat er een kilo of twee, drie aan “bewijsmiddelen” bij de Hoge Raad wordt gedeponeerd, onder het motto: zoek het maar uit, het bewijs zal er ergens wel tussen zitten. En de Hoge Raad toont zich vervolgens bereid om het vuile werk op te knappen in plaats van de rechter op de vingers te tikken. Het strafrecht gaat ten onder aan slappe rechters en misplaatst vertrouwen in politie en justitie. Zo is mijn vriend Henk de dupe geworden van een gemanipuleerd dossier, waarin voor hem gunstige, ontlastende verklaringen ontbreken. Verklaringen die terug zijn te vinden in andere dossiers! Wanneer wordt een einde gemaakt aan het monopolie van het OM op het samenstellen van het strafdossier?
Maurice heeft dus eindelijk de “aanvulling bewijsmiddelen” gekregen. En nu maar afwachten wanneer de zaak in hoger beroep zal dienen. Op dit punt heeft onze wetgever geen termijnen gesteld, maar moeten we het doen met de in het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) gestelde eis dat een strafzaak binnen een “redelijke termijn” wordt behandeld. Een vage term, die veel ruimte voor interpretatie laat. Zoveel dat het in de praktijk een ware rotzooi werd en de Hoge Raad in een uitspraak van 3 oktober 2000, LJN AA7309, NJ 2000, 721 de teugels aanhaalde.
Wat betreft het hoger beroep geldt sindsdien een termijn van twee jaar. Kort gezegd komt het hierop neer dat binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld de zaak door het Hof moet zijn behandeld. Wordt die termijn overschreden, dan leidt dat tot compensatie in de vorm van strafreductie. In een uitspraak van 17 juni 2008 heeft de Hoge Raad beslist dat de niet-ontvankelijkheid van het OM, die vroeger in gevallen waarin de redelijke termijn heel fors was overschreden wel werd uitgesproken, geen “gepaste” sanctie is (HR 17 juni 2008, LJN BD2578). De gedachte hierachter is dat de zaak niet binnen een redelijke termijn is behandeld (en het EVRM dus is overtreden) en de verdachte te lang onder de druk van een strafvervolging heeft moeten leven. In wezen komt het dus hierop neer dat de verdachte al een deel van de straf heeft uitgezeten. Rechters mogen dus “straffeloos” de wet schenden en de verdachte aan het lijntje houden.
Deze situatie is pijnlijk en onaanvaardbaar, zeker in een land dat pretendeert een rechtsstaat te zijn. Het zou de politiek sieren wanneer eindelijk eens meer rechters worden benoemd in plaats van geld vrij te maken voor meer officieren van justitie en meer politie. Het zou rechters sieren wanneer zij dit “onrecht” publiekelijk aan de kaak stellen en actie ondernemen, desnoods door verdachten (vervroegd) vrij te spreken of het OM niet-ontvankelijk te verklaren. Maar zover zal het niet komen. Maandag 6 oktober j.l. las ik op nu.nl een bericht waarin stond dat rechters “niet enthousiast” zijn over het beleid en meer in het bijzonder niet met het feit dat het OM deals sluit met criminele getuigen. Dan denk ik bij mezelf: doe er dan wat aan en verklaar het OM niet-ontvankelijk of, nog beter, bestempel alle verklaringen van gekochte getuigen als “onbetrouwbaar/ongeloofwaardig”. Zolang dat niet gebeurt, heulen rechters met de wolven in het bos. Slap, slap en nog eens slap.
Wicher Wedzinga
Bron: 8 oktober 2008 Maurice de Hond
Het O.M. in de fout; 100 structurele missers, T. Derksen
Iedereen maakt wel eens een fout………………………….
maar bij het Openbaar Ministerie (OM)is meer aan de hand!
